Een bruggepensioneerde mag een dienst bewijzen aan een familielid t/m de tweede graad.
Het betreft hier een vrijwillige activiteit. De bruggepensioneerde mag voor deze hulp niet worden vergoed. De activiteit mag wel rechtstreeks of onrechtstreeks een voordeel opleveren voor het familielid. Het familielid kan de kosten die de activiteit voor de bruggepensioneerde teweegbrengen terugbetalen (de werkelijke kosten).
De activiteit moet zich in de privésfeer situeren. De activiteit, ook al is ze vrijwillig, mag niet kaderen in de beroepsactiviteit van het familielid (bv. handel, vrij beroep, ...).
Bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad zijn ouders, grootouders, kinderen, kleinkinderen, broers en zussen van de bruggepensioneerde.
De bruggepensioneerde die bruggepensioneerd is geworden op basis van de oude reglementering brugpensioen (KB 1992) moet geen enkele formaliteit vervullen, noch ten opzichte van de uitbetalingsinstelling, noch ten opzichte van de RVA.
De bruggepensioneerde die bruggepensioneerd is geworden op basis van de nieuwe reglementering 2008 (KB 2007) heeft echter geen vrijstelling van aangifte meer voor activiteiten voor bloed- en aanverwanten t/m de tweede graad (aangifteplicht via het formulier C45A).